Het Vigliuscollege
Wigle van Aytta (1507-1577) uit het Friese dorp Swichum stichtte in 1569 het college in de Naamsestraat 93. In de volksmond werd het gebouw ook bekend als het Fries College of het Gents College. Naderhand kwam ook de benaming College van de Tarweschoof in gebruik. Dat verwees naar het hoofdmotief in het wapenschild van de stichter, dat boven de hoofdtoegang was aangebracht.
Hoewel de stichting teruggaat tot 1569, kreeg het gebouw zijn definitieve gedaante pas tijdens een grondige herbouw van 1751 tot 1755 onder de leiding van Hustin. Uit archiefstukken blijkt dat Hustin de achtervleugel hertekende en een nieuw interne circulatie bedacht met gangen, trappen, cellae en woonvertrekken. Hustin bracht ook aan de voorvleugel enkele verbeteringen aan.
In de Franse Tijd (1794-1815) bleef de structuur van het college intact. Het Franse bestuur richtte de site in om cavalerietroepen onder te brengen. De tuin was volgebouwd met paardenstallen. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef het gebouw bekend als de Tarweschoofkazerne en verbleven er cavalerie- en artillerieregimenten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog vestigden de Duitsers er een transitgevangenis voor officieren.
Het Vigliuscollege werd in 1957 het hoofdkwartier van de Belgian Pipeline Organisation. Ook vandaag blijft het militair eigendom.
Het Vigliuscollege: een anonieme getuigenis van de adjudant-chef
In tijden van geopolitieke instabiliteit getuigt de adjundant-chef anoniem: ‘Sinds de afschaffing van de oude universiteit wordt het Vigliuscollege gebruikt als kazerne. Vandaag huisvest het pand de Belgian Pipeline Organisation, die instaat voor het Belgische deel van het Central Europe Pipeline System, een militair netwerk voor vervoer en opslag van brandstoffen. Dit is een onmisbare schakel in de jetfuel- en gasoliebevoorrading in West-Europa, zowel voor militaire als voor burgerklanten. De organisatie speelt een rol van strategisch belang voor de weerbaarheid van het land en zorgt er ook voor dat jaarlijks enkele honderdduizenden vrachtwagens niet de baan hoeven op te gaan.’